Hop met de Coigneau - Teralfene

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Hop met de Coigneau

Alfenman
 
 
    
 
De Coigneau-hop, een tijdsbeeld...
Rank van de Coigneau-hop anno 2015 zoals herontdekt en geherwaardeerd door Lyceum Aalst. Foto: Ruben Meert

In de loop van de negentiende eeuw kon men niet langer om het dorp Teralfene heen als het ging om de voorname hopcultuur in de streek van Aalst-Asse: een Teralfense hopvariëteit ‘de Coigneau’ had de streek veroverd en het dorp duidelijk op de kaart gezet. Het was immers te Teralfene op het erf van ene Frans Coigneau dat deze weelderige en sterke hopsoort ooit voor het eerst spontaan was beginnen groeien. Men situeert dat in de periode 1780-1790 waarna deze hopvarieteit zich vervolgens op een tijdspanne van een vijftiental jaar als een olievlek zou verspreiden in de hopstreek Aalst-Asse: gedurende vele decennia werd ze er de dominante hopsoort die bovendien ruim honderd jaar zou standhouden tot in het begin van de twintigste eeuw. Frans Coigneau zelf overleed reeds in 1793, maar in de negentiende eeuw groeide hij te Teralfene en omstreken postuum uit tot een soort van ongekroonde hopkoning als gevolg van het overweldigende succes van ‘zijn’ hop.
Reeds in 1833 schreef het Franse tijdschrift ‘L’ Agronome’ dat deze hopsoort het meest gewaardeerd werd (“le plus estimé”) en het meest gevraagd door de consument (“le plus recherché du consommateur”). En in 1851 omschreef de krant ‘Messager de Gand’ dat deze hopvariëteit terecht werd geroemd te Teralfene (“Le village de Theralphene la vante à juste titre”) aangezien ze het meest productief was en de mooiste hopbel vertoonde (“le plus beau cône”) . In 1886 schreef ‘Den Denderbode’ laconiek dat boer Coigneau eigenlijk een standbeeld had verdiend in zijn dorp. Op het eind van de negentiende eeuw kwam er ook kritiek op in de kranten, toen de soort zeer dominant was geworden.
De Hopbel, een kunstwerk van Patrick Van Craenenbroeck, op het Driesplein van Teralfene.

Wie was Frans Coigneau ?
Frans Coigneau was een inwijkeling te Teralfene. Hij was immers geboren en getogen te Aalst als Petrus Françiscus Coigneau, maar gebruikte later enkel nog zijn tweede voornaam Françiscus. De pastoor van de St-Martinusparochie van Aalst noteerde daar in het doopregister op 19 april 1724 zijn naam als Petrus Francisçus, filius (zoon van) Francisci Conio en Petronella Van Vaerenberg:

Zijn familie was toen reeds enkele generaties te Aalst gevestigd. Zo woonden zijn grootouders Martinus Coignoye en Anna Jacobe Verhert omstreeks 1695 alleszins reeds in de stad alwaar ze in het jaar 1707 een huis kochten in het Rozemarijnstraatje. Echter, eerdere voorouders te Aalst zijn voorlopig niet bekend. De Franse familienaam Coigneau (in al zijn schrijfwijzen Coignoye , Conio, Cougnau, Coun(e)au, …) duikt voor het eerst op te Aalst in de zeventiende eeuw en dat is mogelijk een rechtstreeks gevolg van één van de grote Franse belegeringen der Zuidelijke Nederlanden onder meer in 1667 tijdens de regeerperiode van Lodewijk XIV.
Wat er ook van zij, Frans Coigneau (°1724) groeide op als jongeman in het Aalsterse ten tijde van de Oostenrijkse Nederlanden in de eerste helft van de 18e eeuw gedurende een periode in dewelke het voor de verpauperde stedelijke bevolking steeds moeilijker werd om de eindjes aan elkaar te knopen. De strenge winter van 1739-1740 leidde tot bruuske prijsstijgingen van de landbouwproducten, een verzwakking van de bevolking en hoge sterftecijfers ten gevolge van allerlei ziektes. Diegenen die het in normale tijden al niet breed hadden, werden nu vaak gedwongen tot bedelarij of landloperij. Niet voor niets was een tijd- en generatiegenoot van Frans Coigneau de beruchte crimineel en bendeleider Jan De Lichte (°1723) die zeer actief was in het Land van Aalst in de periode 1740-1748. Tegelijk zorgde de Oostenrijkse Successieoorlog voor toenemende instabiliteit, eerst ten gevolge van de vrij massale inkwartieringen te Aalst van geallieerde Engelse, Hollandse, Hannoverse en Oostenrijkse regimenten. De driejarige Franse bezetting (1745-1748) die daarna volgde werd uiteraard ook niet als een pretje ervaren door de gewone man: de militaire opeisingen door de bezetter zorgden opnieuw voor flinke ontreddering in het hele Land van Aalst. Door de crisis werden vermoedelijk eerst de landlopers en bedelaars naar de steden gedreven, en na de oorlogsperiode ging dit ook gepaard met werkloosheid onder de voormalige soldaten wat hen deed rondzwerven in het land.
Uitgerekend tijdens deze Franse bezetting huwde op 11 april 1747 de bijna 23-jarige Frans Coigneau in de St-Martinus parochie te Aalst met de 12 jaar oudere Joanna Christiaens uit Teralfene:

Het leeftijdsverschil, het tijdstip tijdens de bezetting én de vlugge inzegening van het huwelijk te Aalst (en dus niet te Teralfene, nochtans de parochie van de bruid), laat vermoeden dat er wel enig voordeel aan te pas kwam voor beiden. Mogelijk kon Frans Coigneau zich door het huwelijk onttrekken aan een dreigende militaire dienst: in het bezettingsjaar 1747 werd er immers per parochie in eerste instantie geloot uit de lijsten der “jonkmans” – indien er te weinig betaalde vrijwilligers waren -om aan het verplichte contingent miliciens te komen die de parochies moesten leveren aan het leger van de Franse koning. De invoering eind 1746 van dat lotingsysteem onder impuls van de Franse bezetter had hier voor nogal wat ongerustheid gezorgd en was allerminst populair.
Enkele weken vóór zijn huwelijk had Frans Coigneau op 24 maart 1747 aan de “Corte Sautstraete” te Aalst een huis gekocht ter waarde van 1.050 gulden. Het valt wel op dat Frans reeds op 21 juli 1747 dit huis, waar hij met zijn vrouw Joanna Christiaens een tijd woonde, opnieuw verkocht (voor 1.100 gulden), amper vier maanden nadat hij het zelf had aangekocht:




De toestand te Aalst werd inmiddels behoorlijk grimmig: een goed jaar later bijvoorbeeld op 14 november 1748 werd Jan De lichte samen met enkele ander bendeleiders onder groot publiek vertoon op gruwelijke wijze geëxecuteerd op de Grote Markt van Aalst.
Frans Coigneau en Joanna Christiaens hadden kennelijk besloten om niet langer in het woelige Aalst te blijven. Alleszins reeds in het jaar 1749 woonden zij te Teralfene en hadden ze zich gevestigd ter hoogte van de Clapstraete” waar ook de ouders van Joanna woonden en waar Frans zich op de landbouw zou kunnen storten. Vanaf 1749 duikt de naam van Frans Coigneau immers voor het eerst op in de Poincters en Setters-lijsten (belastingen) van Teralfene: de vijfentwintigjarige Frans had in 1749 blijkbaar van zijn schoonvader Gillis Christiaens een klein lapje grond verworven van 80 roeden. Gillis Christiaens bezat dat jaar zelf 1.510 roeden en tot het jaar voordien nog 1.590 roeden. De oorlog en de bezetting waren nu gelukkig voorbij want ook de parochie Teralfene had in de periode 1744-1748 gekreund onder de veelvuldige en verplichte “logementen” (inkwartieringen), de “leveringhe gedaen aen geallieerde trouppen” én later “..aen trouppen van den Coninck van Vranckrijk”: het ging vaak om grote hoeveelheden hooi, stro, hout, haver en rogge, maar ook om wagens, paarden en pioniers (werkkrachten) die de parochie moest leveren. In een ramingsstaat over het jaar 1744 bijvoorbeeld hadden de meeste Teralfense boeren reeds gemeld dat ze al hun “oppestaeken” kwijt waren, meegenomen door geallieerde troepen die zich in staat van verdediging moesten stellen tegen de dreiging vanuit Frankrijk. En op 28 september 1748 was Teralfene nog verplicht geweest om “dertigh mannen te doen stellen in de waepens, daeronder begrepen 2 corporaels, om de weghen te besetten ende de prochie te ronderen tot apprehentie van vagebonden, lantloopers en andere quaetdoenders”. Vanaf 1749 diende er zich een periode van 40 jaar vrede aan, waardoor ook de hopteelt zich kon herstellen…
Locatie (blauwe pijltje) van het erf van Frans Coigneau te Teralfene op de Ferrariskaart (+/- 1775)

Uit het huwelijk van Frans Coigneau en Joanna Christiaens werd te Teralfene slechts één kind gedoopt op 26 mei 1753, namelijk Joannes Baptista Coigneau, die echter snel is overleden. Joanna Christiaens was toen reeds de veertig voorbij en er kwamen verder geen kinderen meer uit dit huwelijk. Tegen 1753 had Frans zijn eigen lapje grond weliswaar reeds weten te verdubbelen naar 170 roeden, maar hij begon ook gronden te bewerken die hij in pacht genomen had.
Te Teralfene zien we ondermeer in 1757 een overeenkomst waarbij pastoor Van Overstraeten zijn tiendenrecht verpacht aan onder andere boer Frans Coigneau: “Op desen 16 Juny (1757) heeft Francis Coigneau betaelt 11 guldens, derthien Stuyvers, één oord op den vierden wyck: het Dickelsvelt, den Petter, het Houbachhuys met het hoffelt”.

Deze ‘tienden’ waren een vorm van kerkelijke belasting waarbij men in principe een tiende deel van de opbrengst van de veldoogst diende af te dragen, maar dit recht werd (jaarlijks) verpacht aan de meest biedende door de pastoor via een afgesproken pachtsom. Frans ondertekende in 1757 het contract zelf als volgt:

En in 1764 wordt Coigneau vermeld in een verslag omtrent een reeks boeren die vergoed wensten te worden voor “schaede van hagel voorgevallen ten jaere 1763”: zoals de meeste landbouwers in het dorp verbouwde hij toen niet enkel hop, maar ook koren, tarwe en vlas. In 1770 werd hij belast op 486 roeden eigen grond. Frans werd voor de eerste keer weduwnaar toen Joanna Christiaens te Teralfene stierf op 28/02/1771. Ze waren op dat moment kinderloos.
Fragment uit testament (1771) te Teralfene van Joanna Christiaens, eerste vrouw van Frans Coigneau :

Fragmenten uit de aangifte van nalatenschap bij het overlijden in 1771 van Joanna Christiaens, Frans Coigneau’s eerste vrouw. Frans Coigneau zal tot aan zijn dood (1793) blijven wonen in deze “behuysde hofstede binnen de prochie van Teralphene aende Clapstraete” samen met zijn tweede én derde echtgenote. Bemerk ook de vermelding in 1771 van het “woonhuys met den oppenast” en van “den steenput”, die in het verhaal van de Coigneau-hop een rol zal spelen:

 
Frans Coigneau besloot op zijn 47 ste een tweede huwelijk aan te gaan met de Denderleeuwse Catharina Ruysveldt hetwelke in de kerk van Denderleeuw werd ingezegend op 20 augustus 1771:

Uit dit tweede huwelijk volgden drie kinderen te Teralfene : Ludovicus Coigneau (°1772), Petrus Franciscus Coigneau (°1774) én Judocus Coigneau (°1777). De verdere afstammelingen van deze tak vinden we vooral terug in Denderleeuw en Denderhoutem (én van daaruit begin 20ste eeuw zelfs via kettingmigratie in de Verenigde Staten en Canada) waarbij de familienaam verbasterde tot Coignau, Cannau, Caignau, Caigneau en zelfs Kunnau.
Frans werd voor de tweede maal weduwnaar toen Catharina Ruysveldt stierf te Teralfene op 23/08/1777. Hij bleef met drie jonge kinderen (zonen van resp. 5, 3 en 1 jaar oud) achter. Frans Coigneau besloot andermaal om niet alleen te blijven en trouwde voor de derde keer, ditmaal met de Iddergemse Barbara Bouriau, ingezegend op 4 november 1777 te Iddergem:

Uit dit huwelijk werden nog 6 kinderen gedoopt te Teralfene. Alle momenteel (2015) nog levende afstammelingen met de familienaam Coigneau uit Teralfene zijn nazaten uit dit derde huwelijk.
Frans Coigneau stierf uiteindelijk te Teralfene op 8 maart 1793 op 69-jarige leeftijd in een woelige periode, uitgerekend op het moment dat het land opnieuw bezet was door de Fransen, ditmaal ten gevolge van de Franse revolutie. Amper drie maanden tevoren, op 28 december 1792, hadden er te Teralfene onder die bezetting revolutionaire verkiezingen plaatsgehad: na het “luiden der clokke” had het “vrey volck der proche van Teralphene” het recht om te stemmen “tot benoeminge van 7 persoonen voor provisionele representanten der voorschreven prochie”. De Fransen zouden hier echter nog één keer door de Oostenrijkers worden verslagen in de loop van maart 1793 tot ze in juni 1794 terugkwamen en het land definitief (’t is te zeggen voor 20 jaar) zouden bezetten én annexeren.
Frans Coigneau had zich echter ver van alle politiek gehouden en had zijn leven gewijd aan de landbouw. Zes van zijn kinderen waren in leven bij zijn overlijden in 1793, allen minderjarig. Dat waren twee zonen (Petrus Franciscus, 19j & Judocus, 16j) uit zijn huwelijk van wijlen Catharina Ruysveldt en vier kinderen (Joanna Maria, 10j; Theresia, 8 j; Guilielmus, 6 j & Petrus Joannes, 4 j) uit zijn laatste huwelijk met Barbara Bouriau, die als weduwe achterbleef. Voor de oudste twee kinderen werd er een afzonderlijke voogd langs moederzijde aangesteld.
Het was alleszins duidelijk dat Frans Coigneau niet rijk geworden was van zijn hop, mogelijk in tegenstelling tot een aantal hophandelaren. Blijkens de aangifte van nalatenschap had hij bij zijn overlijden enkel nog zijn stukken grond op de “Steenbergh” (60 roeden) en “d’Okeye” (68 roeden) in volle eigendom. Vermoedelijk uit geldnood had hij vóór zijn dood reeds +/- 200 roeden “meersch en bosch” moeten verkopen. Alsook “van de sijde van den overledenen .. vercocht aen Petrus Van der Maelen tot Iddergem 100 roeden en halve hoplochten wesende de behuysde hofstede daer den overledenen is gestorven binnen dese voorschreven Parochie met alle catthijlen en cattementen daer op ende aen clevende”. Het lemen huisje dat hij met zijn gezin zelf bewoonde met de schuren en de hoplochting daaromheen had hij dus ook moeten verkopen en tegelijkertijd terug huren van de koper, hetgeen een geëigende methode was in die tijd om financieel rond te komen in moeilijke tijden.
Na een ingewikkelde berekening van alle baten en lasten uit de nalatenschap concludeerden “de officier Loco, de borgemeester en schepenen deser prochiën en heerlijkheden van Erembodeghem & Teralphene” echter op 25 april 1793 dat “ blijckt dat dese sterfhuyse meer schuld heeft dan voordeel”. Buiten de kosten van de begrafenis en enkele kleinere leningen was dit vooral het gevolg van het feit dat er volgens de wet van die tijd (“naer style en costumen”) een schuld was ontstaan ten aanzien van de minderjarige kinderen, inzonderheid ook “is desen gemeynen sterfhuyze schuldigs aende twee voorkinders van den overledene met wijlent sijne huysvrouwe Catharina Ruysveldt” met betrekking tot de verkochte landgoederen tijdens het laatste huwelijk. Er werd een wettelijke verkoop gehouden “in proffijte van desen sterfhuyze” waarbij onder meer volgende zaken werden verkocht: “een marmitte, eenen mooi verleven, een waschvat, eenen ketel, kanne & tobben, eene kooperen panne, een melkcuype, eene vleeschcuype, 2 streykeyzers, een swingelbest, een mande en korf, 2 schippen, een spinnewiel, eenen crayewagen, eene horologie,….”. Later dat jaar, in december 1793, kwamen de lokale autoriteiten in samenspraak met de weduwe Barbara Bouriau én de andere voogden tot een overeenkomt waarmee iedereen kon leven zodat deze erfenis kon worden afgesloten.
Van de kinderen van Frans Coigneau is het volgende bekend:
* De oudste zoon Petrus Franciscus Coigneau (° 1774) bleef na de dood van zijn vader (1793) bij zijn stiefmoeder te Teralfene tot hij in 1804 huwde te Welle met Maria Theresia Van Kempen en in Denderleeuw ging wonen. Deze tak van de familie verspreide zich vervolgens vooral te Denderleeuw en Denderhoutem. De familienaam verbasterde daar tot Coignau, Cannau, Caignau, Caigneau en zelfs Kunnau. Minstens 5 nazaten van deze tak migreerden begin 20 ste eeuw vanuit Denderhoutem naar de VS en Canada.
* Van de tweede zoon Judocus Coigneau (°1777) is weinig teruggevonden, behalve dat hij dus 16 jaar was bij het overlijden van zijn vader te Teralfene in 1793, maar nadien is er van hem geen spoor meer. Mogelijk is hij het slachtoffer geworden van de invoering van de conscriptie (verplichte legerdienst) in 1798 door de Fransen. Aangezien hij net 21 jaar was in 1798 behoorde hij tot de “gevaarlijkste” leeftijd om opgeroepen te worden (eerste klasse). De angst en ontreddering was groot, vooral bij de boerenbevolking. Heel veel “conscrits” verzetten zich (“Brigands”) of ze verdwenen…of ze verscholen zich in de bossen, bijvoorbeeld te Liedekerke waar eind 1798 uiteindelijk zelfs 21 brigands terechtgesteld werden door de Fransen. Deze opstand van 1798, die overigens snel de kop werd ingedrukt, zou men later de Boerenkrijg gaan noemen.
* De dochters Joanna Maria (° 1782) en Theresia Coigneau (° 1785) zullen huwen respectievelijk in 1804 te Teralfene en in 1806 te Sint-Katherina-Lombeek.
* Zoon Guilelmus Coigneau (° 1787) zal onder Napoleon op zijn twintigste (op 7 maart 1807) ingelijfd worden bij het 10 de Regiment Dragonders in het Franse Abbeville en nooit meer terugkeren naar Teralfene. Het was de tijd van de grote Napoleontische oorlogen: in 1807 woedde de oorlog in Oost-Pruisen nabij Rusland.
 
Info uit Geneanet: Index van Belgische soldaten onder Napoleon
 

* Zoon Petrus Joannes Coigneau (°1789): hij was de jongste telg van Frans Coigneau en zal voor het nageslacht zorgen te Teralfene waardoor de familienaam er tot vandaag nog bestaat. Hij huwde in 1812 met Judoca Van Vaerenbergh. Door de vele vroegtijdige overlijdens en de kindersterfte gedurende de eerste generaties bleef de familie vrij klein. Het “register van bevolking der Gemeente van Teralphene in 1830” vermeldt op dat ogenblik (1830) slechts 7 mensen met de familienaam Coigneau te Teralfene, namelijk Petrus Joannes Coigneau (toen 41j), gehuwd met Judoca Van Vaerenbergh én zijn 5 minderjarige kinderen, alsook zijn zus Joanna Maria Coigneau (47j) die eveneens met haar gezin in Teralfene woonde.
De Coigneau-hop
In de tweede helft van de 19 de eeuw verschenen er in de Aalsterse kranten artikels zoals onderstaande voorbeeld waarin er allusie werd gemaakt op Frans Coigneau en zijn hop. Wat maakte de Coigneau-hop nu zo merkwaardig dat men laconiek opmerkte dat Frans eigenlijk een standbeeld had verdiend in zijn dorp ?
Vooreerst dient te worden verduidelijkt dat de naam van deze variëteit in de vroegste teksten zelden correct werd geschreven. Net zoals de pastoors het in de parochieregisters moeilijk hadden om de juiste schrijfwijze van de Franse familienaam Coigneau te vinden, zo ook verbasterden de auteurs of journalisten de naam van de hopvariëteit tot Cagnau, Carnau, Cannau, Kannau en zelfs Cornoel (in 1833) of Connauyt (in 1851).

Lang vooraleer er van de Coigneau-hop sprake kon zijn schreef priester en historicus Cornelius Van Gestel in 1725 over Teralfene: “Hic pagus est lupuli ferax optimi” wat zoiets betekent als “dit dorp brengt de beste hop voort”. Men mag er van uitgaan dat de streek van Affligem reeds in de veertiende eeuw kennismaakte met de hopcultuur en dat er een snelle uitbreiding kwam in de loop van de vijftiende eeuw. Dit betekent dat men te Teralfene al vroeg tijdens de ontwikkeling van het dorp vertrouwd was met de hopteelt. Alleszins is bekend dat reeds in de zestiende eeuw heel wat Teralfense boeren hun inkomen dankbaar aanvulden met de opbrengst uit minstens een kleine hoplochting. Dat was niet vreemd aan het grote succes en de faam die de Vlaamse hop, en met name de Aalster hop, genoot in Europa. De plaatselijke hop werd uitgevoerd naar Frankrijk, Duitsland, Holland en zelfs Engeland. In het begin de zeventiende eeuw zou Het Land Van Aalst gedurende een bepaalde periode zelfs méér hop produceren dan de rest van Europa tezamen.
Uit de lokale overlevering én de schaarse oude bronnen over het ontstaan van de Coigneau-hop kan men opmaken dat deze variëteit te Teralfene voor het eerst groeide in de periode 1780-1790. Het verhaal gaat als volgt: één van de nog jonge kinderen van Frans had op zekere dag een spontaan (uit zaad) ontsproten hopplantje opgemerkt aan de waterput van het erf aan de Klapstraat. Frans was niet meer van de jongste, maar hij was een groot liefhebber van de hoppebel geworden. Omheen zijn lemen huisje te Teralfene had hij zoals de meeste boeren een hoplochting, maar door zijn Aalsterse afkomst was hij wellicht sinds zijn jeugd goed vertrouwd met de hophandel én wist hij aan welke kenmerken men vooral belang hechtte bij de keuring van de hop te Aalst.
Hij besloot om dit plantje goed te verzorgen en de lente daarna aan een staak op te leiden. De verrassing was groot reeds in augustus wanneer hij de rijkelijke krans van geelwitte ronde bellen zag. Het verschil moet groot en zeer opvallend geweest zijn in vergelijking met de in die tijd traditioneel geteelde hopvariëteit in en rond het dorp. Frans besloot er mee verder te kweken en na enkele jaren was zijn hopveldje een streling voor het oog. De belangstelling vanwege de familieleden en de aanpalende boeren was dan ook groot. De Coigneau-hop bleek niet alleen een grote rijkelijke opbrengst aan bellen te garanderen, maar de variëteit bleek ook beter bestand te zijn tegen ziektes. Frans was niet te beroerd om zijn buren en familieleden te laten meeprofiteren van ‘zijn’ hop. In die tijd hadden heel wat Teralfense boeren de gewoonte om ook lappen grond in de aanpalende parochies (Hekelgem, Essene, Liedekerke, St Katherina Lombeek) te bewerken, gezien de zeer kleine oppervlakte van Teralfene zelf.
Afbeelding Coigneau-bellen uit 1909

Verschillende auteurs (oa. Dr. T. Blancquaert) stelden dat de variëteit Coigneau in 15 jaar tijd over de hele Brabantse hopstreek verspreid was en er de vroeger hopsoorten geleidelijk verdrong. Let wel in de “Brabantse hopstreek” ! Precies gedurende deze prille verspreiding van de Coigneau-hop werden de dorpen Teralfene, Liedekerke én Borchtombeek bij de Franse annexatie van 1795 toegevoegd aan het Departement van de Dijle, de latere provincie Brabant. Deze drie dorpen hadden voorheen steeds tot het Land van Aalst en dus het Graafschap Vlaanderen behoord. De eerste verspreiding en uitbreiding van de Coigneau-hop lijkt dus te hebben plaatsgevonden vlak vóór en tijdens de Franse overheersing (1794-1815), en dat gebeurde in eerste instantie te Teralfene en de direct aangrenzende dorpen. Nu was dit wel de kern van een belangrijk hopgebied, zeg maar de “hopschuur” van de hopstreek Aalst-Asse. De hophandel werd dan wel vanuit Aalst georganiseerd, toch werd er doorgaans heel wat méér hop geteeld aan de Brabantse zijde van de hopstreek Aalst-Asse dan in het Oost-Vlaamse gedeelte. In 1851 schreef het Franse tijdschrift ‘Journal de l’agriculure pratique, d’économie,..’ : “Le houblon, dit d’Alost dans le commerce, se récolte sur une très-vaste étendue et embrasse les communes de Téralphène, Hekelghem, Erembodeghem, Liedekerke, Esschene, Lombeek-Ste-Catherine, Meldert, Pamele, Ternath, Cappelle, Assche, Maxenzele, Moorsel, Borgt-Lombeck, Lombeck-Notre-Dame, Eyseringen, Mylbeke et Baerdegens.” Daarbij werd vermeld dat de drie gemeenten Teralfene, Hekelgem en Erembodegem alleen al in bepaalde jaren goed waren voor 380.000 kilo hop (!).
De zogenaamde “Aalster hop” was bij het overlijden van Frans Coigneau (1793) aan de vooravond van de Franse tijd nog steeds een behoorlijk gerenommeerd Aalsters exportproduct naar vooral Nederland en Duitsland. Hiervan getuigt bijvoorbeeld het volgende artikel uit de Leydsche Courant van begin 1794 waarbij te Rotterdam “46 baalen extra puyke wel geconserveerde Vlaamsche Aalster hop” werden geveild:

Echter, deze internationale hophandel zal niet lang daarna tijdens de Napoleontische oorlogen sterk aan belang verliezen, vooral wegens de continentale blokkade en het verlies van één van de belangrijkste handelspartners, de Duitse staten. Doordat er minder geëxporteerd kon worden daalde de prijs van de hop op de binnenlandse markt en dat was geen goed nieuws voor de hoptelers. Wel voor de bierbrouwers. Het laag houden van bierprijzen op de binnenlandse markt was ook een methode van de bezettende macht om de onvrede in toom te houden en opstanden te vermijden.
1807: de export van hop wordt sterk aan banden gelegd door Napoleon:

Voor de individuele landbouwer uit de hopstreek Aalst-Asse bleek een weelderige en ziektebestendige hopsoort zoals de Coigneau wél een troef in moeilijke tijden. Op de prijszetting van de hop had die hopteler immers toch geen invloed, echter wel op het grote volume aan mooie hopbellen die deze soort, méér dan andere soorten, bleek te kunnen garanderen. Overigens was de binnenlandse bierconsumptie - en dus de vraag naar hop - zeker niet stilgevallen onder Napoleon (1800-1814), en dit gezien de relatief lage prijs van het bier zoals eerder beschreven. Daarom kon de Coigneau-hop zich spontaan verder uitbreiden en stond deze soort in polepositie wanneer men na de val van Napoleon de Aalsterse hophandel in 1818 opnieuw probeerde te reglementeren in naam van koning Willem I.
Reglementering in 1818 van de hophandel te Aalst tijdens de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden:

Het was tijdens deze periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, dat de reputatie van de door Teralfene voortgebrachte hop blijkbaar tot een hoogtepunt is gekomen: in 1826 behaalde het dorp immers de gouden erepenning in een wedstrijd te Aalst waaraan alle hopgemeenten deelnamen en waarbij gewaardeerd werd welke van deze gemeenten gedurende één jaar de beste hop ter waag hadden geleverd. Het aandeel van de Coigneau-hop in wat werd verkocht als “Aalster hop” (Houblon d’Alost) moet in diezelfde periode (1815-1830) behoorlijk toegenomen zijn, terwijl men de oude Aalsterse hopsoort (landhop) die men later (in veredelde versie) de Groene Bel is gaan noemen, relatief minder begon te verbouwen. De betrokkenheid en de fierheid van de inwoners van Teralfene was wellicht groot: het Oranje-gezinde tijdschrift De Argus schreef dat méér dan 6000 inwoners van de naburige plaatsen te Aalst waren opgekomen voor de bekroning in 1826 en dat de burgemeesters der bekroonde dorpen er “met hunnen landslieden den maaltijd aannamen”.
Artikel uit “De Argus” uit 1826 betreffende hopwedstrijd waarbij Teralfene te Aalst een gouden erepenning won voor de beste hop:
 
In een publicatie uit 1821 (Staat van den landbouw in het Koninkrijk der Nederlanden, gedurende den jare 1818) lezen we dat de Engelsen in 1817 een groot gedeelte van de Vlaamse hop - waaronder heel wat Aalster hop - hadden opgekocht, die nauwelijks voor de eigen brouwerijen toereikende was, hetgeen toen de prijzen zeer had doen stijgen. En gestegen prijzen, dat betekende vooral op korte termijn natuurlijk goed nieuws voor de hoptelers én een stimulans voor de boeren om zich meer en meer toe te leggen op de hopteelt ten nadele van andere teelten. Diverse auteurs (oa. B. De Leeuw in zijn werkje ‘De Hopteelt’ in 1900 & P.Callebaut in een artikel in De Hopboer in 1905) zullen later schrijven dat de Engelse brouwers lange tijd de voorkeur hebben gegeven aan de Coigneau-hop en ze deze gretig hebben aangekocht omwille van de fijne smaak die deze variëteit kennelijk gaf aan het bier.
Fragment uit “Staat van den landbouw in het Koninkrijk der Nederlanden, gedurende den jare 1818”:
  
In bovenvermelde regeringspublicatie van 1821 werd het volgende vermeld: “dat de Aalster hop onder dien naam eene groote vermaardheid heeft gekregen. In vier gemeenten rondom Aalst gelegen ziet men de groote hopplantagien, terwijl dezelve verder in dit arrondissement bij enige kleine bouwers gevonden wordt” en ook “In den handel heeft ook de Aalster hop den naam van rood-steng, om ze te onderscheiden van de hop van Poperingen, welke men de wit-steng noemt”. Analoog dus aan “the Flemish Red-Bine” zoals de Britten die reeds in 1798 hadden beschreven: de hopcultuur was ooit - vermoedelijk reeds eind de vijftiende eeuw - vanuit Vlaanderen overgewaaid naar Kent. Aan de Coigneau-hop werd alleszins in de latere beschrijvingen steeds een “geel tot rode” of “roosachtige” rankkleur toegeschreven, terwijl dat bij de Groene Bel eerder “groen met rode streepjes” was. Vaak gaat het echter slechts om subtiele verschillen aangezien de Coigneau-hop toch moet beschouwd worden als een variant van de Groene Bel, of zoals Dr. T. Blancquaert in de twintigste eeuw de Coigneau-hop omschreef: “Vondeling, officiëel uit onbekende ouders voortgesproten, stamt de Coigneau-hop heel waarschijnlijk af uit een moeder ‘Groene Bel’ waarvan ze meer dan één botanische eigenschap heeft overgeërfd”.
Voor zover kon worden nagegaan was het echter pas in 1833 dat de Coigneau-hop (net zoals de “Groenbelle”) voor het eerst op ietwat wetenschappelijke wijze werd beschreven in het Franse toonaangevende landbouwtijdschrift L’ Agronome in een bijdrage over de hopcultuur in de omgeving van Brussel. Daarin werd ze de Cornoelhop” genoemd, in het Frans blijkbaar le houblon jaune. Het was deze Cornoelhop die als variëteit het meest gewaardeerd werd (“le plus estimé”) en het meeste gevraagd door de consument (“le plus recherché du consommateur”). Het maandblad schreef ook dat deze hop het best gedijt en tot ontwikkeling komt op wat lichtere grond. Later zal bevestigd worden dat de ideale bodem voor de Coigneau-hop inderdaad de lichte voedselrijke, vochtige zandleemgrond is die men langs een brede strook aan beide beide oevers van de Bellebeek terugvindt, met name te Teralfene, Liedekerke, Sint-Katherina-Lombeek, Essene, Asbeek, Ternat.
Fragment uit artikel in het Franse maandblad L’Agronome daterende van januari 1833:
 
Uit de Dictionnaire Géographique Universel van 1832: « Théralphène : Grand commerce de houblon » :

In het Franse tijdschrift ‘Journal de l’agriculure pratique, d’économie,..’ ging het in 1851 opnieuw over deze variëteit en werd ze de Connauythop” genoemd. De tekst gaat als volgt: “Houblon blanc ou de Connauyt (Connauyt’s hoppe) est une variété très-remarquable et originaire du lieu même. Vers 1780, les enfants d’un cultivateur de Téralphene, nommé Connauyt, avaient remarqué un plant de houblon dont les cônes étaient singuliers. Le père en plante une perche et successivement des houblonnières entières ; toute fois cette variété semblait convenir au sol plus léger de Téralphène qui se ressent déjà de la lisière des sables de Flandre. Le cône de ce houblon est long, beaucoup plus blanc que les autres variétés d’où est venu son nom français, il est plus gros mais moins bien fourni d’écailles que le houblon vert. C’est aussi le plus tardif des houblons et l’on a remarqué que lorsqu’on possèdes de vastes houblonnières, il y a plus d’intérêt à cultiver à la fois les houblons les plus précoces et les plus tardifs pour se mettre dans les meilleures chances moyennes de réussir année commune. "
In hetzelfde jaar (1851) schreef de krant ‘Le Messager de Gand’ op 4 september een artikel over de Aalsterhop (Houblon d’Alost) en beschreef er op haast lyrische wijze een voettocht vanuit Aalst naar de prachtige hopvelden van Teralfene. De krant vermelde dat er in de dorpen ten oosten van Aalst, waar de meeste hopvelden zich bevonden, meer welstand op te merken was dan ten westen van Aalst. De productiefste soort van vier verbouwde hopvariëteiten in de streek kwam uit Teralfene. Deze soort had ook de mooiste bel: “Le village de Theralphene la vante à juste titre” oftwel “het dorp Teralfene roemt ze terecht”.
Een aantal kenmerken van de Coigneau-hop komen in de meeste beschrijvingen telkens terug: de voorkeur voor een lichte zandleembodem, de grote opbrengst, de vrij late oogst, de sterke weerstand tegen ziektes én het succes op de markt. Wat betreft de kleur van de hopbellen is er echter een nogal grote variatie in de omschrijvingen: in de vroegste beschrijvingen van de Coigneau-hop evolueerde het van geel (1833) over eerder wit (1851) naar zuiver groen toen deze Coigneau-bellen werd beschreven in 1905. Dit grote verschil kan met subjectieve elementen te maken hebben of met de periode waarin men deze hopkleur waarnam (tijdens de groei, in volle rijpheid vlak vóór de oogst .. of ná het oogsten). Maar het kan ook te maken hebben met een evolutie van de soort zelf tijdens het lange bestaan (>150 jaar) van deze variëteit én het veelvuldig verder kweken ervan door een groot aantal telers.
Hetzelfde geldt voor wat betreft de appreciatie van de Coigneau-hop. In de oorspronkelijke beschrijvingen leest men niets dan goeds over deze soort. Gaandeweg - na 1860 - komen ook wat minpunten van deze variëteit naar boven. Meestal gaat het dan over de smaak aangezien er in de Coigneau-bellen minder lupuline zat, waardoor deze variëteit moest inboeten aan krachtige smaak vergeleken bij de Groene Bel. Vanaf de jaren 1880 – onder impuls van de toen opgerichte hopcommissie - begon men vanuit Aalst actief de teelt van de Groene Bel te promoten ten nadele van de Coigneau of Carnau. Politici en hopspecialisten van allerlei pluimage sprongen op de kar en er verschenen artikels in de lokale kranten. In Den Denderbode van 11 januari 1891 bijvoorbeeld: “Iedereen weet dat de Carnau van mindere hoedanigheid is dan de Groene Bel; het is vooral deze laatste die op de beste gronden dient geteeld te worden”. Of in Het Land van Aalst in 1897: “D’Hop verbeteren, ja, alhoewel het de schuld van de boeren niet is dat de Coigneau hier is ingekomen. Over twintig jaar was er een schoone kloeke groen Hop, maar de kleur voldeed niet en d’Hoppetelers werden tot den coigneau gedreven”.
Het maakte maar weinig indruk te Teralfene. Daar was men zich er immers zeer bewust van - en er trots op - dat deze eigen hopsoort de streek had veroverd en in hoog aanzien bleef bij de boeren zelf in de hopregio Aalst-Asse. Toch waren de Teralfenaren bezorgd om de toekomst van de lokale hopcultuur. Als prominent hop-dorp had Teralfene reeds in 1843 het voortouw genomen in de bescherming van de hopteelt der Brabantse regio: op 21 februari 1843 bijvoorbeeld vertrok er vanuit het dorp een opmerkelijke brief in naam van de belangrijkste hopboeren van het kanton Asse gericht aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het zou bijlange niet de laatste keer zijn dat de hopboeren hun grieven tevergeefs aan het Belgisch parlement overmaakten. De belangen van de hophandelaars en hop- facteurs waren niet altijd gelijklopend met die van de boeren. Vaak weerklonk ook de vraag om de import van buitenlandse hop te belasten, zoals dat bijvoorbeeld in Frankrijk gebeurde, maar waarvan België – omwille van de gevoerde politiek van handelsvrijheid – niet wilde weten. Te Teralfene beschouwde men de kritiek op de Coigneau-hop dan ook eerder als een drogreden vanwege de overheid om opnieuw geen protectionistische maatregelen te moeten nemen tegen de invoer van buitenlandse hop.
Brief zoals gepubliceerd in de krant Messager de Gand in het jaar 1843 geschreven te Teralphene in naam van de hopboeren van het kanton Asse gericht aan de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers:

Ondanks de actieve promotie ten voordele van de Groene Bel vanaf de jaren 1880 bleef de Coigneau-hop nog verschillende decennia - tot ná 1910 –dé dominante hopsoort in de streek, dankzij het groot rendement en de weerbaarheid tegen ziektes. Uit een parlementair verslag van april 1906 bleek dat er rond die tijd in het arrondissement Aalst op 100 hectaren nog 80 hectaren Coigneau werden gekweekt. Een jaar eerder (1905) schreef ene P. Callebaut in ‘De Hopboer’ oa: “Heden nog, wijst men als een gezegend aandenken, den vreemdeling het hoekje grond aan, waarop het lemen huis van Coigneau stond op het tijdstip dat hij er dat plantje kweekte, hetwelk later aan de Aalsterse hopstreek welstand en rijkdom verschaffen zou. Wat meer zegt, dit plekje land is tot nu toe overgegaan van vader tot kinders, thans in het vierde geslacht.”…..“Dat de gemeente Ter-Alphene de plaats van oorsprong der Coigneau-hop is, lijdt dus geen twijfel en kan of zal door niemand tegengesproken worden. Wat onze bewering nog meer steun bijzet is het volgende: geloofwaardige personen, tijdgenoten van vader Coigneau, vertelden dat er nog vele jaren na de vierde zondag van september (kermis) in de kerk van Ter-Alphene, een mis gecelebreerd werd tot lafenis van de ziel van de man die door zijn dorpsgenoten aanzien werd als een weldoener, ja, dat die mis telkens telkens bijgewoond werd door een grote menigte, onder andere door de Aalsterse hophandelaars, die van deze gelegenheid gebruik maakten om dan een duchtige kermis te vieren.”
En dat men te Teralfene zowel de kermis als de hopteelt hoog in het vaandel droeg kan men afleiden uit een bijzonder feit uit het jaar 1850 met betrekking tot de kermisdatum. Van oudsher was men gewend om de kermis van Teralfene te vieren op de vierde zondag van september, maar op 20 augustus 1850 kondigde het gemeentebestuur aan dat de kermis vanaf dan zou vervroegd worden naar de eerste zondag van september, een maatregel die tot vandaag de dag nog steeds van kracht is te Teralfene. Eén van de achterliggende redenen voor deze aanpassing van de datum had met de hop-pluk te maken. Deze pluk betekende immers steeds ‘alle hens aan dek’ in een hop-dorp als Teralfene. Door het toenemende belang van de hopteelt én het feit dat één van de kenmerken van de veel geteelde Coigneau-hop een vrij late oogst was - waardoor men de hele maand september kon plukken - kwam die kermisdatum laat in september hoe langer hoe meer ongelegen én in het vaarwater van de hop-pluk. Door de kermisdatum te vervroegen naar de eerste zondag van september konden de Teralfenaren voortaan nog eens duchtig kermis vieren vooraleer men met volle moed aan de pluk kon beginnen.
Vervroeging van kermisdatum te Teralfene beslist door het gemeentebestuur in 1850, een
wijziging die te maken had met de hop-pluk: Typisch tafereel van hop-pluk omgeving Aalst:
 
Ondanks de toegenomen concurrentie vanuit het buitenland breidde de hopteelt zich in de tweede helft van de negentiende eeuw nog behoorlijk uit zowel in Brabant, Oost-Vlaanderen als in West-Vlaanderen zoals het volgende tabelletje weergeeft. Tegelijkertijd ging de hopteelt vooral in Henegouwen achteruit. Alleszins was de provinciegrensoverschrijdende hopregio Aalst-Asse nog de belangrijkste van het land in de negentiende eeuw. Daarna zal de Poperingse hopregio dan wel relatief belangrijker worden, maar de algemene achteruitgang van de hopteelt in de twintigste eeuw overal in België was zeer dramatisch.
Bron: Provinciale spreiding van de hopteelt in België, 1846-1979 (Bron: Landbouwtellingen):
1846 1866 1880 1929 1954 1979
ha % (in België) ha % (in België) ha % (in België) ha % (in België) ha % (in België) ha % (in België)
Brabant 995 33,53% 1348 34,04% 1513 36,15% 161 15,38% 130 21,38% 44 20,18%
Oost-Vlaanderen 354 11,94% 493 12,46% 662 15,82% 83 7,93% 103 16,94% 21 9,63%
West-Vlaanderen 922 31,06% 1498 37,83% 1673 39,98% 799 76,31% 365 60,04% 148 67,89%
Henegouwen 513 17,28% 448 11,31% 287 6,86% 4 0,38% 1 0,16% 1 0,46%
Teralfene lag heel centraal in de hopregio Aalst-Asse en had nóg een troef in handen. Aan de Denderkaai van Teralfene was er in de negentiende eeuw vaak een grote bedrijvigheid aan de gang ten gevolge van het laden en lossen van hopstaken die niet zelden over het water werden getransporteerd. De geloste hopstaken werden te Teralfene met paard en kar opgehaald door (of in opdracht van) de Brabantse hopboeren. In 1851 verkreeg Teralfene bij Koninklijk Besluit een specifiek kaairecht van 10 centiem per honderd hopstaken die gelost werden aan de Denderkade. Later, toen het spoorwegen werden aangelegd, verminderde het belang ervan en konden de hopstaken ook met de trein uit de Ardennen aangevoerd worden, bijvoorbeeld via het station van Ternat (waarvan het straatje Hopstakenkaai bij het station te Ternat nog getuigt).
Kaartje met vermelding van alle dorpen waar er hop werd geteeld omstreeks 1880, het hoogtepunt van de hopteelt, in de hopregio Aalst-Asse, zowel in het Oost-Vlaamse als het Brabantse gedeelte.
Teralfene lag heel centraal in deze regio:
 
In 1864 scoorde Teralfene alweer bijzonder goed bij een te Aalst georganiseerde hopwedstrijd. Onder andere voormalig burgemeester Ferdinand Van den Plas
mocht trots zijn prijs gaan ophalen. Sinds 1860 had zijn zoon Nicolaas Van den Plas hem als burgemeester te Teralfene opgevolgd:
 
Het waren dit soort van successen, samen met het groot rendement én de ziektebestendigheid van de soort, die ervoor zorgden dat de Coigneau-hop in groot aanzien stond bij de boeren. Nog in de periode 1860-1885 breidde de variëteit zich verder sterk uit in de streek, ditmaal ook in de hopgemeenten die verder van Teralfene af gelegen waren. Niet dat die andere hopsoorten daardoor volledig verdwenen. De Coigneau, de Groene Bel én de Witte Rank rijpten op verschillende momenten. De boer die deze drie soorten kweekte, kon niet enkel het risico, maar ook zijn pluk én het drogen van de hop gemakkelijker spreiden.
Met betrekking tot de kwaliteit van de Coigneau-hop en de kritiek die er in de late negentiende eeuw (lees ná 1880) in de kranten op kwam, relativeerde P.Callebaut in ‘De Hopboer’ van 1905 het als volgt: “Wat de hoedanigheid van de Coigneau-hop aangaat, het lijdt geen twijfel dat zij met de groene bel niet kan evenaren in rijkdom van geelstof en geur; edoch zeker is ’t dat ze in fijnheid door geen enkele andere soort wordt in de schaduw gesteld. Verstandige en opmerkzame brouwers bevestigen dat het bier met Coigneau-hop gebrouwen een uitmuntend fijne smaak bezit en dat de Engelse brouwers er lange jaren de voorkeur aan gegeven hebben en ze altijd gretig aankopen, is er het bewijs van. ’t Kan ook wel waar zijn dat de oorspronkelijke Coigneau-hop deugdelijker was dan de tegenwoordige, en dit ware geenszins te verwonderen, want de ontaarding der echte soort, gevoegd bij de zucht naar steeds grotere opbrengst, waren voorzeker niet bij machte om ze te verbeteren. Het is ten stelligste aan te raden de nieuwe planten met veel zorg te kiezen uit diegene welke onder alle opzichten de beste hoedanigheden opleveren”.
Ook B. De Leeuw had zich in zijn werkje ‘De Hopteelt’ in 1900 reeds afgevraagd of de oorspronkelijke Coigneau niet beter van kwaliteit was. Wellicht was er teveel geselecteerd op basis van korte-termijn-opbrengst. Hij stelde dat de oorspronkelijke Coigneau alleen kon terugkomen als men enkel uit moederkuilen met bellen die rijk zijn aan lupuline voorttelers zou nemen.
Diverse auteurs hebben geschreven dat de Coigneau-hop in de negentiende eeuw beschouwd als de ideale hopsoort om lambiek - het basisproduct voor geuze - mee te brouwen omwille van de geringe bitterheid. Sinds het verdwijnen van de Coigneau-hop, en de afwezigheid van een alternatieve hopsoort met gelijkaardige eigenschappen, moesten lambiekbrouwers dan ook noodgedwongen beroep doen op overjaarse hoppen die hun bitterheid verloren hebben. Maar deze wijziging is wellicht niet geheel neutraal geweest voor de smaak.
Pas na WOI nam de hopsoort Groene Bel - die al sedert de jaren 1880 vanuit Aalst gepromoot werd - het als dominante lokale variëteit stilaan (terug) over van de Coigneau. Maar deze dominantie zou zich beperken tot het interbellum. Na WOII werden immers zowel de Groene Bel als de Coigneau door de hoptelers massaal vervangen door Duitse variëteiten als Hallertau en Saaz. Globaal genomen ging het echter met de hopteelt sterk achteruit in de streek. Desalniettemin bleef men te Teralfene nog geruime tijd trots op de eigen hopsoort Coigneau en werd er in de dorpsschooltjes tot in de jaren 1960 steevast les over gegeven.
Het blijft alleszins een nogal pijnlijke vaststelling dat men authentieke hopsoorten als Groene Bel en Coigneau quasi heeft laten verloren gaan in dit land dat nochtans prat gaat op zijn biercultuur. Gelukkig was men kennelijk wat vooruitziender in het buitenland en konden deze hopvariëteiten zo gered worden dankzij de opzoekingen en de inspanningen van het Lyceum van Aalst. Men zou de vergelijking met wijn kunnen doortrekken en zich proberen voor te stellen dat men in Frankrijk druivensoorten als de Cabernet Sauvignon of de Chardonnay zou hebben laten verloren gaan…
Tenslotte nog een aantal publicaties en krantenartikelen uit de negentiende eeuw die een beeld geven van het belang van (en de bedreigingen voor) de Aalsterse hop. Ook de reputatie van de Teralfense hopteelt in de lokale kranten kwam regelmatig aan bod:
uit de regeringspublicatie Staat van den Landbouw in het Koninkrijk der Nederlanden 1825




uit Het Handelblad van Antwerpen van 12 augustus 1846: gevoeligheid voor ziekten. De Coigneau-hop bleek hier relatief goed tegen bestand.

Vanaf de jaren 1850 kreeg de Aalstersche hop in toenemende mate concurrentie van Engelse en zelfs Amerikaanse hop op de Belgische markt.
Artikels uit Het Handelsblad van Antwerpen daterende van het jaar 1858:

Artikel daterende van 4 september 1851 in de Messager de Gand: zonder de naam te noemen beschreef men er de Coigneau-hop uit Theralphene, naast drie andere hopsoorten die samen deel uitmaakten van de ‘houblon d’Alost’ . «Le village de Theralphene la vante à juste titre» of «Het dorp Theralphene roemt (deze soort) terecht »:

Uit Het Handelsblad van Antwerpen van 9 september 1859: uitmuntende oogst, maar door de lage prijzen maakt men zich zorgen te Aalst:

uit De Werkman van 8/8/1884: prachtige hopakkers onder andere te Teralphene:

uit Het Land van Aalst van 24/8/1884: “Teralphene, alwaar d’hop wederom buitengewoon gelukt is”:

Tijdens hop-schaarse jaren (zoals bijvoorbeeld 1891) werd vanuit Aalst steevast naar Teralfene gekeken in de hoop dat er daar misschien nog hop voorhanden was:
Uit Het Land van Aalst 20 december 1891:

uit De Werkman van 25 december 1891:

uit Het land van Aalst van 14 augustus 1892... “Zeventien koopmans en fakteurs op eenen dag te Teralpene, de meerderheid met brillen op”:

Uit Het Nieuws van de Dag van 20 maart 1904: levering langs de Dender van 15.000 hopstaken te Teralfene:

Geert Van den Cruyce
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu